Selective color photography

Wanneer een foto zo bewerkt dat hij overwegend zwart-wit is, maar toch kleur bevat, dan spreken we van “selective color photography”, of in het Nederlands: selectieve-kleurfotografie. Een dergelijke bewerking is met de actuele fotobewerkingstools niet meer bijzonder moeilijk, en sommige camera’s hebben zelfs een selectieve-kleurmodus ingebouwd.

De hint naar kleur kun je inzetten om de aandacht te trekken, af te leiden, of op een bepaald detail te vestigen.

Portretlens

Een portretlens is simpel gezegd een lens waarmee je een mooi portret kunt schieten. Vaak een lens met een vaste brandpuntsafstand, tussen de 85 en 105 millimeter. Natuurlijk kun je net zulke mooie resultaten boeken met een zoomlens met dezelfde brandpuntsafstanden. Kies je voor een instelling boven de 100 millimeter, dan kun je een goede portretfoto verwachten.

 

Witbalans

De hele dag door verandert het licht, maar we zijn ons daar nauwelijks van bewust. De opkomende zon heeft vaak een warme gele gloed en de TL-lampen op kantoren zijn veelal groen van kleur. De kleur van het licht heet de kleurtemperatuur. Onze ogen passen zich aan deze veranderingen aan zonder dat we daar iets extra’s voor hoeven doen, maar bij digitale foto- en filmcamera’s moet de witbalans worden ingesteld om wit ook echt wit te houden en geen vreemde kleurzweem te krijgen.

Kleurtemperatuur

De kleurtemperatuur wordt uitgedrukt in graden Kelvin, of in de afgeleide schaal “Mired” – 1 miljoen gedeeld door de kleurtemperatuur in Kelvin. Heb je de kleurtemperatuur op je fotolocatie, dan kun je daarop de witbalans instellen. Dit zorgt ervoor dat je geen vreemde kleurzweem over je foto’s krijgt (bijvoorbeeld heel geel, als je bij binnenlicht ’s avonds een foto neemt). Veel moderne apparatuur kan automatisch de witbalans bepalen, maar soms heeft het ook met zulke apparatuur voordelen om de witbalans handmatig in te stellen. Hieronder vind je een tabel met de te kiezen kleurtemperatuur/witbalans, onder bepaalde omstandigheden.

Temperatuur (K) Mired Omschrijving
1200 833 Kaarslicht
2000 500 Zonsopkomst/zonsondergang
2800 357 Gewone gloeilamp
3000 333 Studiolamp, 3000-kleur TL
3200 312 Halogeenlamp
3400 294 Filmzon
3500 288 Eén uur na zonsopkomst
4000 250 4000-kleur TL
4200 – 4700 238 – 213 Menging van kunst- en daglicht
5000 200 Foto-flitser
5600 178 Standaarddaglicht
6000 167 Middagzon
6500 154 Standaard witwaarde voor televisie of monitor

Kleurzweem

Men spreekt van een kleurzweem, wanneer er een bepaalde tint over de gehele foto ligt. Die is dan bijvoorbeeld gelig, of rood, of blauw. Een kleurzweem komt vooral voor bij foto’s die bij kunstlicht genomen zijn. Het is een effect dat je ook expres kunt inzetten om een bepaalde sfeer toe te voegen aan een foto. Maar liever maak je een goeie foto, en leg je in de nabewerking bijvoorbeeld een filter over de foto heen om dat effect te bereiken.

Een kleurzweem voorkom je door bij de kleurtemperatuur de juiste witbalans te kiezen.

Scherptediepte

De scherptediepte is de afstand, ten opzichte van het brandpunt van een lens, waarin een foto scherp is. Is de scherptediepte klein, dan is het onderwerp van de foto scherp, maar is er ook een groot deel van de foto onscherp. Is de scherptediepte groot, dan is rondom het onderwerp (vrijwel) de gehele foto scherp. De scherptediepte wordt bepaald door het diafragma. Hoe kleiner de opening in het diafragma (en dus: hoe hoger het diafragmagetal), hoe groter de scherptediepte.

Kiezen van de scherptediepte

Bij macrofotografie – het fotograferen van een bijzonder klein onderwerp, zoals bijvoorbeeld een insect– loont het meestal om een kleine scherptediepte te kiezen. Hoewel een groot deel van de foto dan onscherp is, benadrukt de scherpte die er wél is het onderwerp. Een rupsje maakt zo veel meer indruk met een kleine scherptediepte, dan wanneer al het gras achter hem óók scherp zou zijn. Al dat gras zou immers alleen maar afleiden.

Maak je een landschapsfoto, of een architectuurfoto, dan werkt een grote scherptediepte weer beter. Je wil immers de hele omgeving laten zien, en niet slechts een detail.

Maar net als bij alles in de fotografie geldt ook hier: kies wat jij nodig hebt voor de plaat die je maken wil. Deze “regels” zijn maar een handvat, je kunt uiteraard altijd zelf kiezen wat je doet!

Spraakverwarring!

Vaak hebben mensen het over een grote scherptediepte als ze het over een foto hebben waarin juist veel verschil is in scherpte, en over een kleine scherptediepte wanneer alles op de foto scherp is. Dat is dus eigenlijk precies andersom!

Belichtingsmeter of lichtmeter

Licht meten gebeurt met een belichtingsmeter of lichtmeter. Daarbij is er een verschil tussen het meten van opvallend licht, en het meten van weerkaatsend licht. Het gemeten licht is belangrijk voor de belichting in de camera. In veel camera’s is een (weerkaatsend) lichtmeter ingebouwd.

Opvallend-lichtmeter

De opvallend-lichtmeter meet de intensiteit van het licht dat vanuit een lichtbron op de objecten valt die je wilt fotograferen. Deze intensiteit is, zolang je de uitlichting niet aanpast, constant voor alle objecten. Het maakt immers voor de intensiteit niet uit of het licht uit de lichtbron op een banaan of op een kiwi valt.

Weerkaatsend-lichtmeter

De weerkaatsend-lichtmeter meet het licht dat vanuit de bron, via de objecten in de camera wordt weerkaatst. Nu maakt het object wél uit: de gele banaan weerkaatst veel meer licht dan de donkergroene kiwi. De meting voor weerkaatsend licht verschilt du per object in de foto.

Automatische belichting door de camera

Je camera vaart op weerkaatsend licht voor de automatische instelling van de sluitertijd en het diafragma. Daarom wordt de foto heel anders belicht wanneer je bij een landschap scherpstelt op een bomenrand, of op de lichte lucht erachter. Hier kun je rekening mee houden voor je afdrukt! Wil je de belichting helemaal zelf in de hand houden, kies dan handmatig de sluitertijd en het diafragma.

Belichten

De film in de camera, of de lichtgevoelige cel, moet worden belicht, om een beeld te kunnen vastleggen. Hoe lang en met hoeveel licht dat gebeurt, stel je in met de sluitertijd en het diafragma.

Over- en onderbelichting

Komt er teveel licht binnen, door een te lange sluitertijd, of een te grote opening van het diafragma, dan raakt de foto overbelicht. Lichte delen lopen dan vol en je raakt in het wit details kwijt. Zie de foto hiernaast! Komt er te weinig licht binnen, door een te korte sluitertijd of diafragma, dan wordt de foto onderbelicht. De foto loopt dan vol in de donkere delen, en je raakt detail kwijt in het zwart.

In sommige gevallen kun je er bewust voor kiezen een foto voor een bepaalde sfeer over of onder te belichten. Maar probeer het in de meeste gevallen te voorkomen; in de nabewerking is het heel eenvoudig van een goedbelichte foto de lichtheid nog aan te passen.
Spraakverwarrinkje?

Wanneer je lampen op een onderwerp zet, om dat onderwerp beter te kunnen fotograferen, dan ben je niet bezig met belichten, maar met uitlichten.

De stop

De stop is dus een eenheid waarin een verschil in belichting wordt uitgedrukt. Een sprong in de sluitertijd naar een hogere of lagere tijd wordt een stop genoemd. Maar een verandering naar een hogere of lagere diafragmawaarde heet ook een stop. Met het diafragma ga je “een stop verder open”; een verdubbeling van het doorgelaten licht. Met de sluitertijd kun je “een stop korter”. In dat geval wordt de sluitertijd gehalveerd.

Een stop betekent dus altijd een verdubbeling of halvering. Van tijd of van licht.

Het diafragma uitgelegd

Wanneer je uit een donkere ruimte het licht instapt, dan worden je pupillen van groot razendsnel klein. Met je pupillen regelen je ogen hoeveel licht er op je netvlies valt. Mede omdat dat regelbaar is, kunnen wij goed zien onder allerlei lichtomstandigheden: van veel tot weinig licht, met hoog en laag contrast. Bij een fototoestel is het net als bij je ogen van belang om de lichttoevoer goed te regelen. Bepalend daarin is de lichtgevoeligheid van de film, de sluitertijd en het diafragma.

Het diafragma in de camera

Het diafragma van een lens is net als je pupil een gaatje dat groter en kleiner kan worden gemaakt. Het is opgebouwd uit lamellen die over elkaar schuiven. Bij oude camera’s kun je die lamellen vaak goed zien zitten, zeker wanneer je het diafragma instelt. Bij nieuwere camera’s is het diafragma een stuk abstracter dan dat; een stel niet al te intuïtieve waarden, verstopt onder je functieknopjes.

De diafragmawaarden

Instellen van het diafragma gaat via vaste cijferaanduidingen, die de grootte van de opening aangeven. De reeks loopt in principe van 1.4 naar 32 (al staan niet altijd alle diafragmawaarden op elke camera) en lijkt op het eerste gezicht behoorlijk willekeurig:

1.4 – 2.0 – 2.8 – 4 – 5.6 – 8 – 11 – 16 – 22 – 32

De diafragmawaarden zijn zeker niet toevallig. Het zijn logaritmische waarden, die afgeleid zijn van de oppervlakte van een cirkel.

Let daarbij op: Hoe hoger de waarde in de reeks, hoe kleiner de lensopening.

Diafragma en fotografie

Met elke hogere waarde halveert de oppervlakte van de lensopening. De hoeveelheid licht die door de lens valt halveert daarmee ook. Met elke lagere waarde, en grotere opening, wordt de hoeveelheid licht dus verdubbeld. Elke verdubbeling of halvering heet een “stop”.

Kies je een te grote lensopening bij de sluitertijd, dan wordt een foto te licht. Kies je een te kleine lensopening, dan wordt de foto te donker. Bij een juist gekozen diafragma, is de foto precies goed belicht voor de gekozen sluitertijd.